VOOR WIE STAAN AL DE LINDEN Voor wie staan al de linden, al de berken groen? Voor wie zijn de kastanjen éene pracht van blanke kegels? Voor wie druipt van de berken gloeiend brons? Mijn schoon geluk, zoo maakt de liefde koen dat ik wel voele óns is een schat gebracht een overvloed die stroomt om alle wegels. Voor óns bloeit alles, alles bloeit voor óns. En zoo volzalig is mijn ziel in 't streelen van uw ziel, en zoo vol licht, vol jeugd, dat ik mijn wezen voel doorbruisen van den zang der zon, moet ruischen, ruischen, ruischen, al sidderend al den dag om éene vreugd. 55 Meidoorn, Amsterdam-Tielt (L.J. Veen - J. Lannoo) 1925, 91 p.