WINTER WIJKT, DE WOLKEN SCHEUREN Winter wijkt, de wolken scheuren. Blijder blauwten spant de Lent'. En de lucht is vol van geuren om de groeten, die gij zendt. Zoekt gij, nieuwe mensch, een woning? Heel de wereld is uw weg. Hoor, de kleine winterkoning roept de looveren uit de heg. Zal ik tot uw diepten dalen, arme rijkdom, duist're roem? Mag ik niet als zonne stralen, spring, mijn hart: een roode bloem. 13 Overgebleven Gedichten, Amsterdam (G. Van Soest) 1937, 31p.